4.3 Dierenwelzijn

Met de koop van een product waarin dierlijke ingredienten zijn verwerkt, draag je bij aan het instanthouden van een dierhouderijsysteem. Onze scores moeten een indruk geven van het dierenwelzijn in dat dierhouderijsysteem, zodat je die informatie kan meewegen in je keuze.

4.3.1 Uitgangspunt en afbakening

4.3.1.1 Uitgangspunten

Questionmark wil informatie geven over een specifiek product. Het onderzoek voor dierenwelzijn bekijkt daarom uit welk dierhouderijsysteem een specifiek product afkomstig is. Onder ‘dierhouderijsysteem’ verstaan we een duidelijk omschreven manier waarop dieren worden gehouden, bijvoorbeeld ‘scharrel’ of ‘biologisch’. Ook een keurmerk als Beter Leven Kenmerk geldt als dierhouderijsysteem, omdat Beter Leven Kenmerk duidelijke eisen stelt aan de manier waarop dieren worden gehouden.
Sommige indicatoren voor dierenwelzijn hangen niet samen met een dierhouderijsysteem; de manier waarop een boer als mens omgaat met zijn dieren bijvoorbeeld, verschilt vaak per boerderij. Zulke verschillen kunnen we alleen meenemen als ze indirect af te leiden zijn. Een voorbeeld daarvan is ‘stereotiep gedrag'; abnormaal gedrag van dieren dat een teken is van verminderd welzijn. We kunnen aan een product niet zien of het dier zulk gedrag heeft vertoond. Maar we weten wel dat dit gedrag bij sommige dieren deels wordt veroorzaakt door te weinig leefoppervlakte. Omdat de leefoppervlakte in een dierhouderijsysteem meestal goed te bepalen is, kunnen we het risico op stereotiep gedrag toch goed inschatten.

We willen ook het dierenwelzijn van verschillende diersoorten met elkaar kunnen vergelijken. De indicatoren zijn daarom zo geformuleerd dat ze toepasbaar zijn op verschillende diersoorten. Dit maakt het ook mogelijk om dierhouderijsystemen voor nieuwe diersoorten toe te voegen en te scoren op dierenwelzijn.

4.3.1.2 Afbakening

Het onderzoek richt zich op landdieren, zoals zoogdieren, vogels en reptielen. De diersoorten die tot nu zijn onderzocht zijn:

Buffel Kip Schaap
Eend Koe Struisvogel
Fazant Konijn Varken
Geit Krokodil Zwijn
Haas Paard
Hert Parelhoen
Kalkoen Ree
Kangoeroe Roodpootpatrijs

Van deze dieren onderzocht Questionmark het dierenwelzijn in alle delen van de keten waar dierenwelzijn in het geding kan zijn:

  • Gezondheid (zowel fysiek als mentaal)
  • Welzijn ouderdieren
  • Huisvesting
  • Spenen/opfok
  • Lichamelijke ingrepen
  • Transport
  • Dodingsmethoden

4.3.2 Opbouw systeem

Het onderzoek naar dierenwelzijn is in verschillende fasen opgezet.

4.3.2.1  Thema’s, subthema’s en niveau’s

Uit wetenschappelijke literatuur is bekend welke aspecten van belang zijn voor het dierenwelzijn van de meest gehouden diersoorten. Deze aspecten zijn bij Questionmark gegroepeerd in 5 hoofdthema’s met daaronder in totaal 21 subthema’s. We hebben ons hierbij laten leiden door de verdeling in thema’s voor het Beter Leven Kenmerk. De gedefinieerde thema’s:

  • Lichamelijke impact
  • Huisvesting
  • Voeding
  • Transport (naar slachthuis)
  • Slacht

Elk thema kent verschillende subthema’s; de meetbare indicatoren voor het thema. Zo is ‘sociaal contact’ een subthema van huisvesting. De subthema’s zijn zo gekozen dat ze te bepalen zijn aan de hand van eisen voor een dierhouderijsysteem.

Een dierhouderijsysteem kan op ieder subthema een bepaald niveau scoren, bijvoorbeeld ‘hoog’, ‘gemiddeld’ of ‘laag’. Voor deze niveau’s zijn met opzet relatieve termen gekozen, zodat het dierenwelzijn van verschillende diersoorten met elkaar vergeleken kan worden; heeft een dier beschikking over een minimale, voldoende of ruim voldoende leefoppervlakte? Een voorbeeld van de samenhang tussen thema’s, subthema’s en de bijbehorende niveau’s is weergegeven in Tabel 1.

Tabel 1. Samenhang tussen thema’s, subthema’s en niveau’s.

Thema Subthema Niveau’s
Lichamelijke impact Antibioticagebruik Geen – maximaal – onbeperkt – onbekend
Euthenasie Geen – door dierhouder – door arts – onbekend
Andere subthema’s …etc.
Huisvesting Leefoppervlakte Geen – maximaal – onbeperkt – onbekend
Uitloop Geen – gemiddeld – optimaal – onbekend
Andere subthema’s …etc.

De grenswaarden voor een bepaald niveau verschillen dus per diersoort. Een kippenhouderij scoort bijvoorbeeld ‘minimaal’ als er 9 of meer dieren per m2 leven, ‘gemiddeld’ bij 7 tot 9 dieren per m2 en ‘maximaal’ bij minder dan 7 dieren per m2. Deze grenswaardes verschillen per diersoort: een koe heeft immers meer ruimte nodig dan een kip. De grenswaardes per diersoort zijn gebaseerd op wetenschappelijke literatuur, rapporten van onder andere Wageningen Universiteit en Livestock research, en waardes die gehanteerd worden voor het Beter Leven Kenmerk. Voor het hoogste niveau zijn we uitgegaan van de ideale omstandigheden voor het betreffende dier in gevangenschap, waarbij het niet hoeft te produceren.

Een voorbeeld van de verschillende grenswaarden staat in tabel 2.

Tabel 2: Voorbeeld van grenswaardes per niveau

Thema Subthema Niveau Grenswaarden kip Grenswaarden koe etc…
Huisvesting Leefoppervlakte Minimaal < 5 m2 per dier ≥ 9 dier per m2
Gemiddeld 5-8 m2 per dier 7-9 dieren / m2
Maximaal > 8 m2 per dier < 7 dieren/ m2

4.3.2.2 Punten toewijzen aan niveau’s

Aan elk niveau wordt een score toegewezen. In de eerste vijf thema’s (lichamelijke impact, huisvesting, voeding, transport, slacht) krijgt het niveau dat hoort bij het hoogte dierenwelzijn twee punten toegekend, het niveau dat het minst goed is voor dierenwelzijn nul punten en het niveau daartussen 1 punt.

De score voor het thema ‘soortspecifiek’ is een 0 of een 1, en wordt op een andere manier meegewogen (zie onder). Het thema ‘moederdier’ wordt op een andere manier berekend (zie onder).

4.3.3 Berekening score

4.3.3.1 Van subthemascore naar themascore
Alle subthemascores voor de diersoort worden per thema bij elkaar opgeteld en gedeeld door het maximaal aantal punten voor dat thema. Vervolgens vermenigvuldigen we alle themascores met 10 en corrigeren we een eventuele 0 naar 1, zodat een themascore altijd een cijfer op schaal van 1 tot 10 is.

 4.3.3.2 Weging themascores
Voor de berekening van een eindscore moeten de thema’s onderling gewogen worden. De weging van de verschillende thema’s is als volgt bepaald. Het thema Soortspecifiek wordt op een aparte manier in de berekening meegenomen.

Thema Weging
Lichamelijke impact 4,5
Huisvesting 4,5
Voeding 2,5
Transport 2
Slacht 2
Moederdier 3,5

4.3.3.3 Score moederdier
Vervolgens wordt de score voor moederdieren bepaald. Hiervoor worden alle scores gewogen gemiddeld.

Scoremoeder = ((Th1 x W1 + … + Thn x Wn) / 15.5 ) – Thspec

Waarin:
Thx: Score op thema x, uitgezonderd het thema Moederdier
Wx: Weging van thema x
Thspec: Score op het thema Soortspecifiek dierenwelzijn

4.3.3.4 Absolute score houderijsysteem
Vervolgens wordt de absolute score voor het houderijsysteem bepaald. Deze berekening is hetzelfde als die voor de score van het moederdier, alleen wordt de score van het moederdier hierin ook meegenomen.

Scoreabs = ((Th1 x W1 + … + Thn x Wn) / 19 ) – Thspec

Waarin:
Thx: Score op thema x, inclusief het thema Moederdier
Wx: Weging van thema x
Thspec: Score op het thema Soortspecifiek dierenwelzijn
Scoreabs: Absolute score van het dierhouderijsysteem

4.3.3.3 Eindscore houderijsysteem
Aan de hand van de absolute score per dierhouderijsysteem worden de relatieve scores op een schaal van 1 tot 10 berekend. Dit houdt in dat het dierhouderijsysteem met de laagste totaalscore een 1 moet scoren en het dierhouderijsysteem met de hoogste totaalscore een 10. We gaan er vanuit dat vleesvervangers (producten die vlees vervangen en die geen dierlijke producten bevatten) een 10 scoren. Dit betekent dat dierlijke producten maximaal een 9 kunnen scoren. Voor de relatieve berekening is de volgende formule gebruikt:

Verschil = 8 / (MaxScoreabs – MinScoreabs)

Eindscore = ((Scoreabs – MinScoreabs) x Verschil) + 1

Waarin:

MaxScoreabs: Hoogste absolute score van alle gescoorde dierhouderijsystemen
MinScoreabs: Laagste absolute score van alle gescoorde dierhouderijsystemen

← Vorige pagina Volgende pagina →

Hé! Wat is 'duurzaam' voor jou?
Wil je ons helpen?