Bietsuiker

Een stuk land zo groot als 1,5 voetbalveld, beplant met suikerbieten, kan ruim 20 miljoen suikerklontjes opleveren.

In Nederland zijn veel boeren die suikerbieten verbouwen. Deze wortelgewassen groeien onder de grond. Bovengronds maken de bladeren in de zomer suiker uit lucht, water en zonlicht. Die plantensuiker is de basis van een groot deel van de suiker die wij eten.

Suikerbieten worden geoogst, gewassen en in reepjes gesneden in een bad met water gelegd. Dat gebeurt in de suikerfabriek. De suiker lost op in het water, dat door verhitting verdampt, waarna de achtergebleven suiker wordt ontkleurd.

Een groot deel van de suikerbiet wordt benut. De bietenpulp wordt verkocht als veevoer en het overgebleven suikerwater gaat naar een distilleerderij voor de productie van alcohol.

Milieu

De verwerking van bietenpulp kost nu nog veel aardgas, maar kan in de (nabije) toekomst ook groen gas opleveren.

Bietsuiker heeft vooral invloed op het milieu vanwege het brandstofverbruik bij de oogst en verwerking van de bieten. Hoewel dit lager is dan bijvoorbeeld bij de aardappelteelt, wordt gemiddeld per hectare toch nog 190 liter brandstof gebruikt.

Vooral het drogen van de bietenpulp om dit te verwerken tot veevoer, kost veel aardgas. Daarom zijn er vergevorderde plannen om bietenresten te vergisten voor de levering van groen gas.

Mensenrechten

De meeste bietsuiker die in Nederland verkocht wordt komt uit Nederland.

In Nederland is de bescherming van mensenrechten overwegend goed geregeld. In de praktijk is er ook in de Nederlandse landbouwsector wel een klein risico dat (buitenlandse) seizoenarbeiders kunnen worden uitgebuit. Risico’s zijn zeer lange werkdagen, oplichting door malafide tussenbureaus en slechte tijdelijke huisvesting. Ook houden werkgevers zich niet altijd aan de CAO en betalen ze seizoenarbeiders soms te weinig.